Voor Marike is het heel simpel. “Opa sood - Opa ster”
Wanneer we hem de laatste keer gingen groeten negeerde ze hem een beetje en begon ze vrolijk te zingen, alsof het de normaalste zaak was van de wereld. “Ge kunt et niet eloven hoe lekker dat dat is.. stok vis” Maar wanneer we naar huis reden zei ze “Opa slape ine bedje”, waaruit bleek dat ze hem wel degelijk had herkend en gezien.
Zij spreekt ook steevast van Oma. Terwijl wij het nog steeds over oma en opa hebben uit macht der gewoonte. Waarop zij ons dan onmiddellijk verbetert met de woorden “Opa sood”
Dat zijn woorden die Lune erin gedramd heeft, de aller eerste dagen. Telkens wanneer we op hun oprit aankwamen bleef Marike maar enthousiast roepen. Opaaaaa, opaaaa, opaaaaaa.
Lune werd dan echt kwaad en riep. “Marike luister nu toch, opa is er niet meer, opa is dood, oké”
Lune had het er heel erg moeilijk mee die eerste dagen. Vooral omdat ze hem niet in het ziekenhuis heeft gezien en het allemaal niet goed begreep. We namen haar mee naar het mortuarium van het ziekenhuis om toch nog afscheid te kunnen nemen, maar dat vond ze helemaal niet leuk, dus gingen we onmiddellijk terug weg. Later in het funerarium hadden we gezegd dat ze niet mee moest, maar dat wij wel nog even gingen kijken met Marike omdat zij opa ook niet meer had gezien. Ze is toen blijven kleuren in de gang, maar kwam even later toch zelf naar binnen. En zei dat ze dit bedje van opa hier veel mooier vond. Maar meer dan dat zei ze niet, elk gesprek over missen of verdriet, blokkeerde ze de eerste weken. Het enige wat ze zei is dat ik niet verdrietig mocht zijn. “Als het zomer is dan zullen we opa al lang vergeten zijn” Ze heeft ook een maand kalender waar we alles aanduiden wat belangrijk is. Op de dag dat opa stierf tekenden we een droevig gezichtje. Ze tekende er zelf de traantjes bij, staarde even naar de prentjes en de vakjes en sprak dan heel kordaat : “Volgende keer als we het blaadje van de kalender omdraaien, dan weten we het niet meer, dat opa dood is.”
Tot vorige week, toen ze zomaar out of the blue in de auto vroeg: “Wie van ons gaat er het eerste doodgaan? Mama, papa, Lune of Marike?”
Om dan zelf onmiddellijk toe te voegen: “Ik denk papa, want opi, pépé van zarren en opa waren ook eerst dood” En zo begon ze honderduit te vertellen over opa. Alsof het nu plots allemaal terug kwam. Ze maakt ook zeer vreemde kronkels en stelt de meest confronterende vragen.
“Wist opa op de laatste dag dat hij dood ging?”
“Hoe ben je als je dood bent?”
“Kan opa ons nog zien?”
“Kun jij zijn stem nog horen? Ik wel”
Volgens Lune is opa een vallende ster, want vallende sterren zijn sterren die zich verplaatsen. Soms hangt hij boven ons huis en soms boven dat van oma. En als wij op vakantie gaan, dan gaat hij ook mee. “Als ik dood ben word ik ook een ster en dan ga ik altijd naast opa vliegen.”
Verschillende keren deze week zei ze dat opa dood was omdat die geen “dit meer had” en altijd wees ze naar de palm van haar hand” Ik begreep niet wat ze wou zeggen.
Tot ze de derde keer heel boos werd.”Omdat opa DIT niet meer HEEFT! – Is hij daarom dood. Vertel het eens mama… Is het?… Zoals de dino’s in brussel?”
Ik begreep plots dat het het woord “vel” was dat ze zocht maar niet kon vinden.
Enkele maanden geleden gingen we naar het museum van natuurwetenschappen. Ze was toen zeer ontgoocheld dat het geen echte dino”s waren, maar gewoon stokjes.
Mijn lief legde haar toen uit dat dat skeletten waren en wat dat betekende. Ik vond dat straf dat ze nu die link maakte tussen dode dino’s en opa.
Het is eigenlijk altijd ‘savonds in de auto dat ze over hem praat.
Waarschijnlijk omdat ze dan altijd de sterren heel goed kan zien.
En ook omdat ze mij op dat moment niet hoeft aan te kijken.
Ze staart naar buiten en laat haar woorden de vrije loop.
“Wat is het ergste. Opa die dood is of je huis dat kapot is?”
“Opa of je fiets?”
“Of ik weet iets heel ergst van de wereld, als je een baby hebt en die is na één dagje al dood, is dat erger dan opa?”
“Ben jij nu nog altijd verdrietig mama?” – Het is nu toch al lang geleden hoor. Van toen ik mijn boekentas kwijt was”
“Wanneer gaat oma dood?”
“Waar gaan we haar begraven?” – “Nee niet naast opa, IK wil bij opa liggen als ik dood ben.”
“Als alle mensen dood zijn is de Sint hier dan helemaal alleen?”
“In de paasvakantie gaan wij leuke dingen doen, mijn popje en ik. We gaan naar drie feesten, een trouwfeest een verjaardagsfeest en een prinsessenfeest. En op de laatste dag gaat ze dood. Dan moeten we naar de kerk.”
Ik laat haar praten want ik wil daar geen doekjes om winden. De dood is iets waar ze over mag nadenken omdat het deel uit maakt van het leven en omdat ze er later nog mee geconfronteerd zal worden. Al probeer ik het gesprek wel steeds in een positieve richting te duwen. Ik vertel haar grappige en leuke dingen, die we samen met opa deden. Ik vertel haar ook dat zij nog heel klein is en dat ze nog heel veel dingen gaat doen en nu zeker niet gaat sterven. Dat ik haar veel te graag zie en dat ik haar nog heel lang bij mij wil. Dat zij nog naar de grote school moet en gaat werken en misschien ook trouwen en kindjes krijgen. En dat ik ook heel graag oma wil worden. Ze glimlacht breed wanneer ik het allemaal vertel.
Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel en zie hoe ze dromerig naar buiten staart. Ik haal opgelucht adem en geniet van de stilte die is terug gekeerd.
Tot ze er nog heel even fijntjes aan toevoegt: “Ik wil zeker geen oma worden, want als je oma bent dan ga je dood.. “